Het politieke woord van de week #16 – Ego
We kennen het als een betoon van bescheidenheid. Mogelijk zelfs van nederigheid. “Wie ben ik dat ik dit mag doen?” zei Juliana bij haar inhuldiging in 1948 als staatshoofd van het Koninkrijk der Nederlanden. Anders dan haar man, prins Bernhard, stond Juliana ook niet bekend als iemand met ‘een groot ego’. Wel had zij dit voordeel: zij hoefde slechts geboren te zijn om te weten dat zij op een dag de erfelijke kroon zou dragen.
Het ego en de publieke zaak; de twee hebben het lang niet altijd makkelijk samen. De aanstaande premier van Nederland, Rob Jetten, liet bij de samenstelling van zijn kabinet weten dat hij op zoek was naar ministers ‘zonder een al te groot ego’. Volgens hem was dat nodig om ‘de ander af en toe wat te gunnen’. Een behoorlijk slappe uitspraak, maar begrijpelijk voor de komend leider van een minderheidskabinet.
Een aanname hierbij is dat iedereen begrijpt wat een ego is. Het woord komt uit het Latijn en betekent feitelijk niet meer dan ‘ik’. Et in Arcadia ego, zo weten de mensen nog die op de middelbare school Latijn in hun pakket hadden. Het betekent iets als ‘zelfs in het paradijs ben ik aanwezig’, waarbij deze ik staat voor niemand minder dan De Dood. Als ego staat voor identiteit, dan voegt het besef van de dood hier direct bescheidenheid en nederigheid aan toe.
Kennis en competentie
Een groot ego laat zich hieraan echter weinig gelegen liggen. Dan immers gaat het niet alleen om het identiteitsbesef, maar ook om zelfvertrouwen. Om in de politiek iets tot stand te kunnen brengen, zo valt te verdedigen, is zelfvertrouwen juist een noodzaak. Met een klein, voortdurend twijfelend en angstig ego is de publieke zaak immers niet gediend. Dat geldt voor Kamerleden al net zo als voor bewindspersonen.
Maar met alleen zelfvertrouwen is het ego er natuurlijk nog lang niet. Daaraan gekoppeld is ook kennis en competentie nodig. Marjolein Faber mag dan over het nodige zelfvertrouwen beschikken, als minister bleek zij incompetent. En voor iemand als Mona Keijzer moge de combinatie van zelfvertrouwen en competentie gelden, haar politieke ego maakt het schijnbaar weer onmogelijk om de ander wat te gunnen.
Dat roept typisch genoeg herinneringen op aan een politicus als Jan Pronk. De PvdA’er beschikte als minister over een enorm zelfvertrouwen en koppelde dat aan een uitnemende intelligentie. Over hem is gezegd dat hij, die een verleden in met name buitenlandse onderwerpen had, bij zijn aantreden als minister voor Milieu zijn ambtenaren te kennen gaf dat hij binnen een paar maanden meer van het onderwerp zou weten dan zij.
Vaardigheid
Dat laatste mocht dan waar zijn geweest, het is de vraag of je daarmee vrienden maakt. Jan Pronk diende de publieke zaak, maar wist alles beter. Voeg daarbij de innerlijke drang en het lef om zijn kennis en opvattingen niet onder stoelen of banken te steken, en het wordt duidelijk waarom Wim Kok bij een conflict over Indonesië in 1992 verzuchtte: ‘Jan, je hebt noch het verleden noch het geweten in je portefeuille.’
Twee jaar later voegde premier Kok hieraan toe: ‘Jan mist de vaardigheid om mensen bij elkaar te houden.’ Het is mogelijk precies die vaardigheid die Rob Jetten wenst. Maar politiek ego zoekt ook een eigen weg.
Kees Broere