Kennisbank

Het politieke woord van de week #12 – Oppositie

Bij zijn eerste aantreden als president van de Verenigde Staten, in 2009, maakte Barack Obama duidelijk dat hij zich geïnspireerd wist door zijn voorganger Abraham Lincoln. Die had na zijn verkiezingsoverwinning een regering gevormd waarin ook zijn tegenstanders uitdrukkelijk een plek kregen. Obama verwees in dit verband naar het boeiende boek Team of Rivals: The Political Genius of Abraham Lincoln van Doris Kearn Goodwin uit 2005.

Wellicht heeft CDA-leider Henri Bontenbal tijdens het kerstreces tijd gehad om het boek te lezen. Je zou het bijna denken, toen hij afgelopen dinsdag het idee opperde dat in het nieuw te vormen kabinet-Jetten wellicht ook ministers en staatssecretarissen van partijen uit de oppositie zitting konden krijgen. “De coalitiepartijen leveren de bewindspersonen, maar je zou er ook over na kunnen denken om dat breder te trekken,” zo citeerde het AD hem.

Het voorstel zal mogenlijk een stille dood sterven. Rob Jetten maakte duidelijk als D66’er niet in één kabinet te willen met het radicaal-rechtse JA21. VVD-leider Dilan Yesilgöz had eerder al de mogelijke deelname van GroenLinks-PvdA geblokkeerd. Om een van beide partijen (of zelfs beide) dan via een omleiding alsnog binnen te halen, is uiterst onwaarschijnlijk. En partijen als 50Plus of de ChristenUnie zullen ook niet staan te popelen.

Nieuwe energie
Toch is de opmerking van Bontenbal de aandacht waard. Jetten-I bestaat uit een coalitie die in de Tweede noch Eerste Kamer een meerderheid heeft. Geen van de partijen uit de oppositie heeft gedoogsteun geboden. Daar staat tegenover dat geen enkele plausibele samenwerking van oppositiepartijen aan een parlementaire meerderheid komt om het kabinet weg te stemmen en nieuwe verkiezingen te eisen. Op die verkiezingen zit ook niemand nu te wachten.

In eerste instantie lijkt dan politieke verlamming te ontstaan. Maar het tegendeel maakt een minstens zo grote kans: door een minderheidskabinet kan het dualisme (‘het kabinet regeert; de Kamer controleert’) nieuwe energie krijgen, doordat niet alleen premier Jetten en zijn bewindslieden op zoek moeten naar parlementaire meerderheden voor de beleidskeuzes, maar ook de parlementaire oppositie er zelf belang bij heeft die meerderheden te vinden.

Geloof in verandering
Constructieve politiek dus – je zou er na de regeringsdrama’s van de afgelopen anderhalf jaar al bijna niet meer van durven dromen. Van alle oppositiepartijen in de Tweede Kamer zal vooralsnog alleen de PVV vanaf dag 1 van het kabinet-Jetten aansturen op de val ervan. En binnen het coalitiekabinet zelf dient vooral de VVD in de gaten gehouden worden als regeringspartij die steeds met één opportunistisch oog haar eigen electorale kansen blijft wegen.

Jetten en Bontenbal zijn de vorige verkiezingen aangegaan met boek-slogans die in elkaars verlengde lagen: ‘Hoe het wél kan’ en ‘Het kan echt anders’. Beide politici belijden daarmee hun geloof in ‘verandering’, het woord dat bij vrijwel elke verkiezing in elk land centraal staat. Maar tijdens hun eerste gesprekken, nog zonder Yesilgöz, vonden zij elkaar in de gedachte dat veranderingen vooral nodig zijn om het goede te behouden.

Welvaart en welzijn van Nederland staan immers onder immense druk van geopolitieke ontwikkelingen waarop Den Haag bitter weinig directe invloed heeft. Dat beseffen de gezonde krachten van zowel het te vormen kabinet-Jetten als die van de parlementsoppositie. Een ’team of rivals’ is niet zozeer een kans alswel een noodzaak. Of, vooruit dan, een noodzakelijke kans.

 

 

Kees Broere