Actueel

De nooit geheelde wond van Elco Brinkman

Wie kent hem niet: de minister van WVC die tegen het advies van de literaire jury in weigerde om Hugo Brandt Corstius de P.C. Hoofdprijs 1984 uit te reiken. De CDA-fractievoorzitter die in aanloop naar de verkiezingen in 1994 met een door Frits Wester aangeleerde ‘shuffle’ het kabinet Lubbers-III de maat nam. En de gedoodverfde aanstaande premier die in diezelfde verkiezingscampagne door Lubbers persoonlijk hardhandig uit de politiek werd verwijderd.

Onder mijn in politiek geïnteresseerde jonge collega’s is het antwoord pijnlijk: zij kennen hem niet. Met enig doorvragen meent één van hen op de stofomslag van Bouwen en bewaren een soort ‘Godfather’ te herkennen. Een ander vermoedt – geholpen door de boektitel – te maken te hebben met een ‘illustere’ voorganger van Maxime Verhagen. En na enig nadenken associeert een derde collega Brinkman vooral met de tabakslobby.

Een tragisch lot van de zojuist gepensioneerde politicus die in roerige jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw zijn stempel op de Nederlandse politiek probeerde te drukken. Gevolgd door een snel vergeten tijdperk waarin Brinkman als ‘machtigste man van Nederland’ (een typering van de Volkskrant uit 2016) ook buiten de landspolitiek een succesvolle carrière wist op te bouwen. Uitmondend in een stil afscheid van de onverminderd eerzuchtige man die nog tot voor zeer kort de scepter in de CDA-senaatsfractie zwaaide.

Juist om deze tragiek te voorkomen is Brinkman op tijd gestart met het ‘opruimen van zijn zolder’, zoals hij het zelf noemt. Brinkmans zolder blijkt groot en vol te zijn, zo getuigt zijn uitgebreide autobiografie. Talloze politieke kopstukken passeren in het boek de revue. En ondanks dat Brinkman de meeste kopstukken weet terug te brengen tot het vervullen van een bijrol van de hoofdpersoon, lijkt één ‘decorstuk’ voortdurend op en tussen de regels aanwezig te zijn: de voor Brinkman ‘onnavolgbare’ Ruud Lubbers die hem destijds een blijvende politieke wond heeft bezorgd. Tekenend voor de permanente schaduw van Lubbers is dat Brinkman de oud-premier in het namenregister voorziet van het Latijnse woord passim, dat letterlijk ‘verspreid’, ‘op vele plaatsen’ betekent.

Met het optekenen van zijn zorgvuldig bewaarde herinneringen geeft Brinkman de lezer met het boek dan ook niet alleen inzicht in het leven van de kroonprins der politieke kroonprinsen, maar vooral ook een interessant beeld van politiek tijdperk. Of Bouwen en bewaren voldoende is om met terugwerkende kracht zijn stempel op de Nederlandse parlementaire geschiedenis te drukken, zal moeten blijken. Maar lezenswaardig is het mooi verzorgde boek in elk geval wel.