Kennisbank

Boekrecensie | Mij krijgen ze niet klein van Marjolein Faber

In Mij krijgen ze niet klein beschrijft Marjolein Faber haar elf maanden als minister van Asiel en Migratie, oftewel het “ministerie van Geluk”. Ze presenteert zichzelf als “de meest besproken minister ooit” en iemand die ongekende haat over zich heen kreeg. Het boek ziet zij als een kans om haar kant van het verhaal te vertellen. Maar wat is dat verhaal?

“Een terugblik, zonder wrok,” schrijft Faber in de introductie. Die belofte zet de lezer echter op het verkeerde been. In de rest van het boek is wrok geen omissie, maar een constante onderstroom. Haar ministerschap wordt neergezet als één lange reeks van tegenwerking. Het ambt was een lijdensweg: “Je moet altijd op je hoede zijn, zeker als PVV’er.” Toch hees ze zich dagelijks “in het harnas” om de strijd aan te gaan, een strijd die zich toespitst op twee vijanden: de asielindustrie en de islam.

Wie Fabers beschrijving volgt, stuit op een reeks “feiten” die vooral haar overtuigingen weerspiegelen. De asielindustrie zou ten koste gaan van de “welvaart en het welzijn van de Nederlandse bevolking”. Migranten worden neergezet als “gelukszoekers in wrakke bootjes”, criminelen, “asielslurpers”, of “kansenparels” uit “verweggistan” die liegen en frauderen om hier binnen te komen. Ook dehumaniserende watermetaforen schuwt zij niet: Nederland zou overspoeld worden door een “asieltsunami”. Menselijkheid speelt in haar benadering nauwelijks een rol; asiel draait volgens haar enkel om veiligheid.

Haar andere vijand is de islam, de “intolerante ideologie die het Westen haat”. “Gelukkig” zijn niet alle moslims slecht, schrijft ze, maar er moet wel een streep worden getrokken. En het trekken van die streep wordt haar persoonlijke missie. Dat deze missie haar naar eigen zeggen niet makkelijk wordt gemaakt, vormt een terugkerend motief. Ze werd “belachelijk gemaakt, zwartgemaakt en gedemoniseerd.”

De wrange ironie laat zich voelen: terwijl Faber betoogt dat zij gedemoniseerd wordt, gebruikt ze zelf doorlopend demoniserende taal voor migranten en asielzoekers. Toch presenteert het boek dit zonder enig besef van die spiegeling. Hele passages worden bovendien besteed aan hoe coalitiegenoot NSC haar tegenwerkte bij de Noodwet, compleet met een verslag van de tegenwerkende handelingen in bulletvorm. Ook politiek links, ambtenaren en de gevestigde orde zouden volgens haar samenspannen tegen haar agenda.

Onderhandelen hoort niet bij Fabers repertoire. Het proces van geven en nemen is “pure chantage” en wie daar niet aan meedoet krijgt volgens haar ten onrechte het etiket “onbereikbaar”. Faber doet niet aan “slappe hap”; zo zit ze niet in elkaar. Ze deed het bovendien niet voor zichzelf, want het was “de hel”. Het boek biedt daarmee vooral een inkijk in Fabers belevingswereld: een wereld van strijd, miskenning en wantrouwen. Of de democratie daarmee geholpen is, is uitermate twijfelachtig.

 

Tessel Kee

 

Marjolein Faber
Mij krijgen ze niet klein
Prometheus, Amsterdam 2025
224 pagina’s, €18.99
ISBN 9789044660746