De budgettaire vooruitzichten voor de volgende kabinetsperiode zien er op het eerste gezicht rooskleurig uit. Bij een optimistische interpretatie van de cijfers heeft het volgende kabinet € 5 miljard ruimte voor nieuw beleid. De door het Centraal Planbureau geraamde groei van 1,8% per jaar is echter met forse onzekerheden is omgeven. Een ander risico is dat de zorguitgaven harder stijgen dan geraamd. Dat zou vele miljarden extra kosten. De verkiezingsprogramma’s die momenteel in de maak zijn, kunnen op financieel gebied voorlopig nog alle kanten op.

Basispad volgende kabinetsperiode

Op 30 maart heeft het Centraal Planbureau (CPB) zijn Middellange termijnverkenning (MLT) 2018-2021 gepubliceerd. De MLT is een financieel-economisch scenario voor de volgende kabinetsperiode, uitgaande van ongewijzigd en reeds ingezet overheidsbeleid. Uitgavenverhogingen, bezuinigingen, lastenverlichtingen en lastenverzwaringen in de verkiezingsprogramma’s en in het regeerakkoord worden geformuleerd ten opzichte van de ramingen in de MLT. De MLT wordt daarom ook wel het ‘basispad’ genoemd.

1,8% economische groei

De MLT gaat voor de periode 2018-2021 uit van een gemiddelde jaarlijkse economische groei van 1,8%. Hiervan bestaat 0,2%-punt uit ‘inhaalgroei’ omdat aan het begin van de periode een deel van de productiecapaciteit onbenut is. De verwachting is dat deze onderbenutting in 2021 nog steeds niet helemaal is verdwenen. In jargon: er is nog steeds een output gap in 2021. Voor de politiek zijn vooral de prognoses voor de overheidsfinanciën van belang. Deze bepalen voor een aanzienlijk deel de financiële manoeuvreerruimte voor het verkiezingsprogramma en het regeerakkoord.

Financiële ruimte

In de kern bevat het CPB-scenario goed nieuws op het gebied van de overheidsfinanciën. Het feitelijke EMU-tekort (het ‘begrotingstekort’) slaat vanaf 2019 om in een overschot dat oploopt naar 0,6% van het bruto binnenlands product (BBP) in 2021. Het structurele EMU-saldo (dit is het feitelijke EMU-saldo gecorrigeerd voor conjuncturele en incidentele factoren) komt uit op +0,1% BBP in 2021. Nederland voldoet hiermee in 2021 aan de Europese normen, te weten een feitelijk tekort van maximaal 3% BBP en een structureel tekort van 0,5% BBP. Tot en met 2018 ligt het structurele EMU-tekort nog wel boven de 0,5% BBP.

Ook het zgn. ‘houdbaarheidssaldo’ is positief: +0,7% BBP. Dit betekent dat de begroting volgens de berekeningen houdbaar is op lange termijn en dat het huidige niveau van overheidsvoorzieningen in stand kan blijven. Sterker nog, het saldo van +0,7% BBP suggereert dat het volgende kabinet per saldo een financiële ruimte van € 5 miljard kan besteden aan extra uitgaven of lastenverlichting. Als het huidige kabinet niet had besloten tot het lastenverlichtingspakket van € 5 miljard, was het houdbaarheidssaldo nog 0,4%-punt BBP hoger uitgekomen.

Uitgangspunten

De ramingen voor de overheidsfinanciën gaan uit van ongewijzigd beleid, inclusief eerder ingezet beleid met consequenties na 2017. Gehanteerde veronderstellingen zijn o.a. dat de lonen bij de overheid en in de zorg zich globaal hetzelfde ontwikkelen als in de marktsector, dat de aardgasproductie daalt van 46 miljard m3 in 2017 naar 43 miljard m3 in 2021, dat de staatsdeelnemingen in ABN AMRO en ASR Verzekeringen in 2021 zijn verkocht en dat de AOW-leeftijd stijgt naar 67 jaar in 2021. In het basispad is een voor de algemene inflatie gecorrigeerde stijging van de collectieve zorguitgaven voorzien van 3,4% per jaar.

Risico’s en onzekerheden

De middellange termijnraming van het CPB is omgeven met flinke onzekerheden. Het CPB heeft het over een foutenmarge van ± 0,8%-punt rondom de gemiddelde economische groeiraming van 1,8% per jaar. Behalve min of meer reguliere economische toekomstrisico’s zijn er ook buitengewone risico’s, waarbij het CPB denkt aan een nieuwe eurocrisis, een wereldwijde financiële crisis of eventuele grote wereldwijde effecten van een harde landing van de Chinese economie.

Eén van de grootste risico’s voor de overheidsfinanciën schuilt in de uitgavenontwikkeling voor de zorg. Als de reële uitgavengroei in de zorg tot 2060 1%-punt per jaar hoger uitvalt dan de geraamde 3,4%, komt het houdbaarheidssaldo 5,6%-punt BBP ongunstiger uit. In plaats van een houdbaarheidsoverschot van 0,7% BBP ontstaat  er dan een houdbaarheidstekort van 4,9% BBP (ca. € 34 miljard). Afgaande op de groei van de zorguitgaven vóór de crisis is het niet ondenkbaar dat de groei van de zorguitgaven een half à één procent boven de in het basispad veronderstelde 3,4% uit komt.

Gevolgen voor de verkiezingsprogramma’s

Voor lobbyisten is het goed om te weten dat het aan de hand van de MLT alle kanten op kan met de verkiezingsprogramma’s. Partijen hebben veel ruimte voor interpretatie. Als ze meer willen uitgeven of aan lastenverlichting willen doen zonder dit te dekken met extra bezuinigingen of lastenverzwaringen, kunnen partijen zich beroepen op het houdbaarheidsoverschot van 0,7% BBP. Ook kunnen zij aandragen dat er nog steeds een output gap is in 2021, en dat het in het kader van een anticyclisch begrotingsbeleid dus niet verstandig is om weer te bezuinigen.

De voorstanders van een zuiniger beleid kunnen aanvoeren dat het structurele begrotingstekort pas vanaf 2020 verdwijnt, en dat het in verband met de grote negatieve economische en politieke risico’s en mogelijk sterker stijgende zorguitgaven beter is om voorzichtig aan te doen. Hun argument zal ook zijn dat tijdens en na de kredietcrisis is gebleken hoe snel het begrotingstekort kan oplopen als het tegenzit, en dat er daarom eerst een veiligheidsmarge opgebouwd moet worden.

Lastenstijging en koopkrachtplaatjes

In de politieke prioritering spelen ook andere factoren een rol. Zo blijkt uit de MLT dat de lasten in de jaren 2017-2021 beleidsmatig met € 8,4 miljard stijgen, met name door hogere Zvw-premies en een stijgende SDE+-heffing. Ook de koopkrachtplaatjes pakken niet voor iedereen even gunstig uit, zoals voor gepensioneerden. Alleen al om electorale redenen is er voor politieke partijen aanleiding om dit te willen corrigeren, bijvoorbeeld door nieuwe belastingverlagingen of door maatregelen die de oorzaken van de stijging van de lastendruk aanpakken.

Hoe verder?

Bij de politieke partijen zijn de programmacommissies al aan de slag gegaan met het voorbereiden van de verkiezingsprogramma’s. Voor de zomer adviseert de interdepartementale Studiegroep Begrotingsruimte over het begrotingsbeleid in de volgende kabinetsperiode. De partijen zullen mede op basis van dit advies bepalen het uiteindelijke standpunt bepalen waarmee zij zich na de zomer gaan voorbereiden op de verkiezingen. Zo zal steeds duidelijker worden welke partijen zuinig aan willen doen en wie een wat royaler beleid wil voeren.

 

Comments are closed.