Wijziging van een belangrijke innovatieregeling als de WBSO, afschaffing van de innovatiebox en aanpassing van het topsectorenbeleid. Dit zijn zomaar enkele veranderingen waar politieke partijen op uit kunnen komen als ze het innovatiebeleid in hun verkiezingsprogramma optimaliseren aan de hand van de recente CPB-studie ‘Kansrijk innovatiebeleid’. Het is verstandig hier rekening mee te houden in de lobby.

Eind februari publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) het rapport ‘Kansrijk innovatiebeleid’. In het rapport analyseert het CPB de effecten van diverse vormen van innovatiebeleid, inclusief een aantal beleidsopties voor de toekomst. De uitkomsten geven een idee welke evidence based maatregelen de overheid kan nemen om het innovatiebeleid effectiever en doelmatiger te maken. In het onderstaande wordt geschetst hoe een aan de hand van de meest recente CPB-inzichten geoptimaliseerd innovatiebeleid er op hoofdlijnen uitziet.

1. ‘New to the world criterium’ in de WBSO
Eén van de belangrijkste innovatiestimuleringsregelingen in Nederland is de WBSO (Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk). De WBSO is een belastingsubsidie voor R&D, met name voor de loonkosten daarvan. In 2016 bedraagt het budget voor de WBSO € 1,15 miljard. Volgens het CPB-onderzoek is de WBSO een effectief instrument om onderinvesteringen in research & development (R&D) tegen te gaan, maar gaat er al zoveel geld naar de WBSO dat een verdere uitbreiding weinig toegevoegde waarde heeft. Het rapport suggereert wel dat de werking van de WBSO verbeterd kan worden door als voorwaarde te stellen dat het beoogde resultaat van de te verrichten R&D nieuw is voor Nederland of de wereld (het CPB noemt dit het ‘new to the world’ criterium). Nu hoeft de aanvrager alleen aan te tonen dat het beoogde resultaat van de R&D nieuw is voor het bedrijf.

2. Afschaffen innovatiebox
De overheid probeert R&D ook aantrekkelijker te maken met de zgn. ‘innovatiebox’ in de vennootschapsbelasting. Het CPB is hier kritisch over en stelt dat de innovatiebox weinig effect heeft op onderinvesteringen in R&D en vooral wordt gebruikt voor belastingontwijking. Afschaffen van de innovatiebox zal naar verwachting van het CPB niet tot meer onderinvestering in R&D leiden, terwijl de daling van de R&D-uitgaven blijft beperkt.

3. Eenmalige uitbreiding innovatiekrediet voor MKB
Het innovatiekrediet is een vanuit het Innovatiefonds MKB+ gefinancierde regeling van het ministerie van Economische Zaken. Het gaat om geldleningen voor innovatieprojecten die geen of onvoldoende financieringsmiddelen hebben. Hierbij moet gedacht worden aan de ontwikkeling van nieuwe producten, processen of diensten met een sterke business case. Het krediet is risicodragend en hoeft alleen te worden terugbetaald als de ontwikkeling slaagt. Het CPB-rapport suggereert dat het zowel voor de overheidsfinanciën, de R&D-uitgaven als de welvaart (in ruime zin) gunstig uitpakt als het innovatiekrediet voor het MKB eenmalig en binnen bepaalde grenzen wordt verhoogd. Bij een uitbreiding van het innovatiekrediet met meer dan € 0,3 miljard bestaat volgens het CPB het risico dat er onvoldoende geschikte gekwalificeerde aanvragen worden ingediend die voldoen aan de criteria en doelstellingen van de regeling.

4. Grace period bij Europese patenten
Er is ook gekeken naar mogelijke maatregelen van niet-financiële aard. Eén daarvan is de invoering van een ‘grace period’ voor Europese patenten. In tegenstelling tot in Europa bestaat er in de Verenigde Staten en Japan al een dergelijke regeling, waarbij uitvinders octrooi mogen aanvragen op uitvindingen die zij in het recente verleden (een respijtperiode van een jaar) hebben beschreven. Dit geeft onderzoekers de mogelijkheid om resultaten tijdig te publiceren zonder dat de mogelijkheid van een octrooi vervalt en verlaagt de drempel voor onderzoekers en bedrijven om samen te werken. Naar de inschatting van het CPB leidt dit tot meer fundamenteel en toegepast onderzoek, en grotere commerciële belangen bij toegepast onderzoek. Als risico wordt gezien dat de grotere prikkels voor valorisatie bij wetenschappers de manipulatie van onderzoeksresultaten aantrekkelijker maakt.

5. Openbare consultaties in plaats van geslotenheid topsectoren
Het rapport ‘Kansrijk innovatiebeleid’ is, zeker tussen de regels, kritisch over het topsectorenbeleid. Zo houdt volgens het CPB het consulteren van topsectoren om tot betere wet- en regelgeving te komen geen rekening met belanghebbenden buiten de topsectoren. De Topconsortia voor Kennis en Innovatie (TKI’s), waarin onderzoeksinstellingen en bedrijven samenwerken, bieden naar de mening van het CPB een “erg beperkt platform”. Openbare consultaties zouden volgens het rapport een beter alternatief zijn, omdat daarbij iedere partij gehoord kan worden.

6. Meer geld naar aanbestedingen en prijsvragen
De CPB-onderzoekers merken op dat het topsectorenbeleid, met de oormerking van onderzoeksfinanciering voor bepaalde sectoren, op korte termijn mogelijk kan bijdragen aan valorisatie van wetenschappelijke kennis. Bij grootschalige oormerking op langere termijn kan echter het risico ontstaan dat er een conservatieve werking van uitgaat waardoor Nederlands fundamenteel onderzoek mogelijk minder waardevol wordt. Het CPB vindt dat het topsectorenbeleid en de bijbehorende innovatiecontracten kunnen bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen die eenvoudig te verhelpen zijn, maar schat in dat het minder geschikt is voor grote maatschappelijke uitdagingen.

De TKI-toeslag zou daarom op een andere manier ingezet kunnen worden. Via deze TKI-toeslag ontvangt het TKI thans € 0,25 voor elke euro die de private sector investeert in R&D bij een onderzoeksorganisatie. Met de toeslag kan het TKI nieuw publiek-privaat onderzoek financieren. Het CPB suggereert dat het beter is om meer geld in de SBIR-regeling te stoppen. Bij de SBIR (Small Business Innovation Research) is sprake van een competitie, waarbij de ondernemingen met de beste offertes een opdracht krijgen voor een haalbaarheidsonderzoek. De ondernemingen met de meest kansrijke haalbaarheidsonderzoeken krijgen opdracht hun product verder te ontwikkelen. Het CPB is positief over de SBIR als instrument om innovatieve oplossingen te vinden voor maatschappelijke uitdagingen met het karakter van een publiek goed. De TKI-toeslag zou hiervoor minder geschikt zijn, omdat de overheid hiermee minder goed kan sturen op een oplossing. In zijn algemeenheid merkt het rapport op dat de Nederlandse overheid vergeleken met andere landen weinig gebruik maakt van aanbestedingen en prijsvragen om oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen te vinden.

Kansrijke lobby
Wat het kabinet en de politieke partijen met de inzichten van het CPB gaan doen, zal nog moeten blijken. Hier en daar zullen politici vast ook anders denken over de merites van bepaalde maatregelen. Daar komt bij dat evidence based innovatiebeleid naar zijn aard een enigszins conservatief karakter heeft, omdat van sommige maatregelen (nog) niet goed bekend is hoe effectief ze zijn. Een overheid die op zeker speelt zal hier dus niet voor kiezen. Aan de andere kant is het ook wenselijk dat de overheid zijn beleid onderbouwt met de meest recente inzichten in wat er werkt en wat niet. Voor Tweede Kamerleden is dit bijvoorbeeld interessant in het kader van Verantwoordingsdag, op de derde woensdag in mei. Aan de hand van wetenschappelijke inzichten kunnen er keuzes worden gemaakt hoe en waar de beschikbare middelen het best kunnen worden ingezet. Politieke partijen kunnen de inzichten ook gebruiken als bouwsteen voor hun verkiezingsprogramma. Omdat het gebruikelijk is dat de programma’s van de meeste partijen ook door het CPB worden geanalyseerd, bestaat er voor hen nog eens een extra prikkel om dit te doen. Na de publicatie van het rapport kennen ze de maatlat van het CPB. Voor een kansrijke innovatiebeleidlobby is het nuttig om op de hoogte te zijn welke bestaande beleidsinstrumenten ter discussie kunnen komen en welke alternatieven er volgens de ‘geleerden’ goed op staan.

Comments are closed.