Al veel langer ben ik ervan overtuigd dat de ‘kloof’ tussen politiek en burger een belangrijke voorwaarde is voor het zo optimaal mogelijk doen functioneren van een democratie. Elitarisme heeft hier weinig mee te maken, magie des te meer. Mede door een veel laagdrempeliger toegang tot informatie en een op sensatie gerichte blik van zowel de sociale als de klassieke media meent de Nederlandse burger de politiek anno 2016 bovenal te moeten bezien als een interactief televisiespektakel waarin spitsvondigheid, strategisch vernuft en het  – al dan niet vergezeld van dreigementen –  elkaar permanent de maat nemen centraal staan. Dat de politiek hier zelf ook actief toe bijdraagt zegt veel over het tijdsgewricht en veel over de durf van de huidige generatie politici. Al dan niet gedreven door de idee dat het goed is de politiek zo dicht mogelijk bij de burger te brengen heeft de Tweede Kamer in het afgelopen decennium verschillende procedurele vernieuwingen doorgevoerd die voor de burger zowel de aantrekkelijkheid als de legitimiteit van de politiek zou moeten versterken.

In mijn beleving begon dit ‘aantrekkelijker’ maken van de politiek in 2004 met de introductie van het ‘spoeddebat’. Alleen al de benaming suggereerde dat alle andere Kamerdebatten dus niet-spoedeisend en daarmee minder belangrijk zouden zijn. Dat deze voor de burger bedoelde vernieuwing al direct bij introductie door de Kamer zelf om zeep werd geholpen (een meerderheid van de Kamer weigerde een beleefd verzoek van de CDA-fractie om een op termijn plaats te vinden debat te honoreren, waarop de toen meer dan 30 leden tellende CDA-fractie met succes een spoeddebat aanvroeg), was destijds niet alleen veelzeggend voor het denken van de Kamer over de relatie tussen politiek en burger, maar ook over het gebruik van parlementair instrumentarium. Dat het spoeddebat (pas) sinds 2011 door het leven gaat als een iets gematigder klinkend ‘dertigledendebat’, heeft de populariteit van het spelelement overigens niet getemperd; het aantal sindsdien gehouden dertigledendebatten ligt gemiddeld hoger dan de aantal daarvóór (waarmee de Kamer de suggestie dat andere debatten er minder toe doen, in ere houdt).

Een tweede maatregel om de burger dichter bij de politiek te betrekken was de introductie, in 2006, van het burgerinitiatief dat een burger sindsdien in staat stelt zelf (dat wil zeggen: samen met steunbetuigingen van minstens 39.999 andere burgers) politieke onderwerpen op de Kameragenda te agenderen. One issue-organisaties waren er als de kippen bij om hun one-issue-onderwerpen voor te dragen. Discussie over de mate waarin de Kamer het onderwerp reeds aantoonbaar heeft besproken, maakt dat de Kamer in de praktijk slechts een beperkt aantal burgerinitiatieven honoreert. Met het burgerinitiatief introduceerde de Kamer voor de burger daarmee vooral een spelelement waarbij de kunst er voor de burger uit bestaat het (in de regel: one issue-)onderwerp lang genoeg ‘stil’ te houden om te voorkomen dat de Kamer er voortijdig met het onderwerp ‘vandoor’ gaat. Mede door een verscherping van de spelregels leek in 2015 alleen een theatergezelschap het aangepaste kat-en-muisspel nog (publicitair) aantrekkelijk te vinden.

Spoeddebat Tweede Kamer Democratie

Met de introductie van het raadgevend referendum heeft de burger er sinds vorig jaar daarom ‘gelukkig’ een nieuw spelelement bij gekregen. En geheel volgens traditie wordt ook dit spelelement al direct bij introductie misbruikt. De vereiste van minimaal 300.000 steunbetuigingen blijkt voor de burger geen enkele barrière te zijn om met dit spelelement zijn ‘democratisch recht’ op te eisen. Het succes van het spelelement ter stimulering van de directe betrokkenheid van de burger bij de politiek wordt op 6 april duidelijk wanneer de burger zich formeel uitspreekt over een ondoorgrondelijk associatieverdrag en informeel over zijn waardering van ‘Europa’ en/of het huidige kabinet. Ik acht het niet ondenkbaar dat de coalitiepartijen in dezelfde lijn op een negatieve uitslag zullen reageren als toenmalig minister van Justitie, Piet Hein Donner, na het voor de coalitiepartijen in 2005 dramatisch verlopen referendum over de ‘Europese grondwet’; hij vond het experiment zo succesvol, dat het naar zijn oordeel over honderd jaar zeker nóg eens moest worden herhaald.

Opgeteld bij de zelf of onder druk van ‘de burger’ verkozen erosie van andere populaire onderdelen van het parlementaire instrumentarium (variërend van het veelvuldig indienen van schriftelijke vragen en het vullen van het wekelijkse vragenuurtje – ook wanneer het onderwerpen betreft die zich hier minder voor lenen –  tot het geïnstitutionaliseerd initiëren van parlementaire onderzoeken en enquêtes) draagt de Kamer met de introductie van nieuwe spelelementen zelf bij aan de decadentie van de democratie. En dat is meer dan jammer. Juist omdat politici tegelijkertijd maar al te goed (behoren te) weten dat het Kamerlidmaatschap naast een eer en een roeping ook nadrukkelijk een vak is. Een vak dat  – bij gebrek aan vakdiploma’s –  vraagt om voldoende afstand van de betrokken burger. Niet om de burger van de politiek weg te houden. Wel om de waardering voor én de aantrekkelijkheid van dit vak voor de burger te behouden. Noem het gepaste afstand. Noem het een gezonde spanning. Ik noem het magie.

Peter van Oort

Comments are closed.