In zijn nieuwjaarsartikel pleit secretaris-generaal Camps van Economische Zaken ervoor om strategische doelen te stellen, met name voor duurzame welvaartsgroei. Ook moet er volgens Camps naar hervormingen worden gekeken waarvan de baten op voorhand moeilijk te berekenen zijn. Voor politici en belangenbehartigers biedt het artikel stof tot nadenken in de aanloop naar de verkiezingen.

 

Aanjagen van vernieuwing

Het is van belang om voorbij de traditionele hervormingsagenda te durven kijken. “Het verdienvermogen gaat namelijk over méér […]. In het jaar 2016 worden de verkiezingsprogramma’s geschreven. In het licht van de maatschappelijke uitdagingen waar Nederland voor staat, zouden de economische paragrafen daarin vooral moeten gaan over de vraag hoe de overheid een rol kan spelen in het aanjagen van vernieuwing, ten behoeve van duurzame welvaartsgroei.” Dit schrijft Maarten Camps in het van oudsher invloedrijke nieuwjaarsartikel van de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken (EZ) in het economenblad Economisch Statistische Berichten (ESB).

 

Meten is niet altijd weten

Voor nieuwe hervormingen wil Camps meer aandacht voor baten die niet op voorhand te kwantificeren zijn. Daarnaast is hij voorstander van het stellen van strategische doelen. Hiermee benoemt de SG een intrigerend punt. Aan de ene kant is het wenselijk dat de overheid rationele investerings- en hervormingskeuzes maakt: evidence-based, gebaseerd op objectief vastgestelde feiten en degelijke kosten-batenanalyses. De keerzijde van deze medaille is dat van sommige andere denkbare beleidskeuzes simpelweg niet goed bekend is of niet tot achter de komma uitgerekend kan worden wat de precieze baten zijn. Hierover bestaat onzekerheid. Als de overheid uitsluitend kiest voor beleid waarvan de gevolgen vooraf berekend (lijken te) kunnen worden, kan dit ten koste gaan van alternatieven die ook positieve effecten hebben die echter moeilijker gekwantificeerd kunnen worden. Experimenteren en innovatie komen dan in het gedrang.

 

Ouderwets, achterhaald en suboptimaal

Het nieuwjaarsartikel van Camp is om nog een andere reden opmerkelijk. “De valkuil is de neiging vast te houden aan concrete doelstellingen, zoals kwantitatieve indicatoren, terwijl ondertussen de strategische doelen niet langer actueel zijn”, zo schrijft hij. Om te vervolgen: “Het vraagstuk van de energietransitie kan hier als illustratie dienen. […] De energietransitie was destijds ingegeven door de vrees dat fossiele brandstoffen uitgeput zouden raken. Die vrees blijkt voor de belangrijkste fossiele brandstoffen ongegrond. Inmiddels vormt, zoals de recente klimaattop in Parijs nogmaals onderstreept, het tegengaan van de opwarming van de aarde het strategische doel. […] In Europa is er in de praktijk nu sprake van drie indicatoren die als richtpunten dienen voor beleid. Behalve een CO2-indicator […] is er sprake van een indicator gericht op het aandeel duurzame energie en een indicator gericht op het tempo van energiebesparing. Strikt genomen is – gelet op het achterliggende strategische doel: het tegengaan van de opwarming van de aarde – alleen de CO2-indicator nog relevant. Idealiter richt de overheid zich op deze indicator. Deze is technologieneutraal en sorteert niet voor op een bepaalde oplossing, zodat er ruimte wordt gegeven aan de ontwikkeling van verschillende oplossingen die aan het strategische doel een bijdrage kunnen leveren, en aan de afruil tussen die oplossingen.” Kortom, de hoogste ambtenaar van het ministerie dat over het energiebeleid gaat, vindt de invulling van dit beleid eigenlijk ouderwets, achterhaald en suboptimaal.

 

Aanloop naar de verkiezingen

Het nieuwjaarsartikel van de secretaris-generaal van EZ is van belang in de aanloop naar de Tweede Kamerverkiezingen van volgend jaar. Politieke partijen die hun verkiezingsprogramma’s laten doorrekenen of anderszins analyseren door instanties als het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving scoren doorgaans beroerd in dit soort analyses als ze wat al te vaak kiezen voor beleid waarvan de effecten onzeker zijn. Zeker bij investeringen in kennis en innovatie zijn de economische effecten soms lastig te berekenen. Het ministerie van Economische Zaken speelt echter een belangrijke rol bij het opstellen en onderbouwen van de keuzemogelijkheden die politici voor hun verkiezingsprogramma en voor het regeerakkoord voorgeschoteld krijgen. Zo coördineert het ministerie van Economische Zaken de interdepartementale Studiegroep Duurzame Groei, die voor de zomer van 2016 advies zal uitbrengen over versterking van het verdienvermogen ten behoeve van werkgelegenheid en duurzame welvaartsgroei. Het wordt interessant om te zien in hoeverre de jongste inzichten vanuit EZ hierin doorsijpelen, en wat de politieke partijen hier in hun verkiezingsprogramma’s mee doen.

 

Proof of the pudding

Vanuit het oogpunt van belangenbehartiging is het nieuwjaarsartikel niet minder relevant. Economische Zaken wil kennelijk met een wat ruimere, meer ‘visionaire’ blik naar de toekomst kijken. Niet alleen als het gaat om nieuwe hervormingen en investeringen, maar ook als het gaat om de benutting van beleidsinstrumenten zoals subsidies of de vormgeving van het energiebeleid. Nu maar zien of het ministerie hier werkelijk voor open staat als hiervoor ideeën vanuit de samenleving worden aangedragen…

 

 

Marcel de Ruiter

Comments are closed.