Volgens de nieuwe vergrijzingsstudie van het Centraal Planbureau (CPB) zijn de overheidsfinanciën in 2018 nog steeds houdbaar voor de lange termijn als de overheidsuitgaven met 0,4% BBP (€ 3 miljard) worden verhoogd. Dit is op het eerste gezicht goed nieuws, maar belangenbehartigers in de zorg kunnen zich beter niet rijk rekenen. De CPB- berekeningen zijn gebaseerd op een lagere groei van de zorguitgaven dan in het verleden. Het doortrekken van de groei van de afgelopen decennia zou in 2018 al gauw 5,6% BBP (ca. € 42 miljard) extra kosten, en het doortrekken van de groei van een recenter verleden nog meer.

Nieuwe ageing-studie
Begin juli publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) onder de titel ‘Minder zorg om vergrijzing’ een nieuw rapport over de vergrijzing en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Eerdere ageing-studies van het CPB speelden een belangrijke rol als input voor het opstellen van verkiezingsprogramma’s en ambtelijke adviezen voor een volgende kabinetsperiode. Bestudering van de nieuwe CPB-cijfers geeft daarom een aardige indruk welke kant de politieke discussie de komende jaren op gaat.

AOW-leeftijd naar 71½: houdbaarheidstekort verdwijnt
De nieuwe ageing-studie laat zien dat de hervormingen van de laatste jaren (inclusief de maatregelen die in de steigers staan maar nog moeten worden ingevoerd, zoals de hervorming van de langdurige zorg) effect hebben. Het forse gat dat er in 2010 nog in de lange termijn houdbaarheid van de overheidsfinanciën zat, zal in 2018 omgeslagen zijn in een klein houdbaarheidsoverschot van 0,4% BBP. Naar verwachting is de staatsschuld rond 2080 afgelost. De verhoging van de AOW-leeftijd, die gezien de oplopende levensverwachting stijgt naar 71½ jaar in 2060, is een belangrijke verklarende factor voor de verbetering van de overheidsfinanciën in de vergrijzingssommen.

Gespreid bedje?
Een houdbaarheidsoverschot van 0,4% BBP in 2018 betekent dat de overheidsfinanciën nog steeds houdbaar zijn als de overheidsuitgaven vanaf 2018 structureel met € 3 miljard (=0,4% BBP) verhoogd worden, uitgaande van de gedane veronderstellingen over de ontwikkeling van de economische groei. Dat klinkt alsof het volgende kabinet in een gespreid bedje terecht komt: nieuwe bezuinigingen zijn niet meer zo hard nodig en er is zelfs enige ruimte voor extra uitgaven of lastenverlichting. Is dat ook zo?

‘Constante arrangementen’
De vergrijzingssommen van het CPB kijken decennia vooruit. Vanzelfsprekend zijn de uitkomsten nogal afhankelijk van de gemaakte veronderstellingen. Een cruciale veronderstelling is dat er sprake is van welvaartsvaste voorzieningen. Deze worden gedefinieerd als ‘constante arrangementen’. Dit houdt in dat uitgaven die aan leeftijdsgroepen zijn toe te wijzen, in de berekeningen meestijgen met de bruto loonkosten per arbeidsjaar (oftewel de loonvoet). De gedachte hierachter is dat er in de toekomst geen grotere schoolklassen zijn dan nu, en dat er evenveel handen aan het bed zijn in de ouderenzorg. Wel gaat het CPB ervan uit dat de helft van de ingecalculeerde stijging van de resterende levensverwachting in goede gezondheid wordt doorgebracht.

Constante arrangementen ≠ ongewijzigd beleid…
De mededeling van het CPB dat er bij constante arrangementen een houdbaarheidsoverschot optreedt, kan bij oppervlakkige lezing de indruk kunnen wekken dat het bij ongewijzigd beleid vanzelf goed komt met de overheidsfinanciën. Hier zit een addertje onder het gras: constante arrangementen zijn niet hetzelfde als ongewijzigd beleid. Het CPB wijst er op dat het vooral in de zorg mogelijk is dat de uitgaven bij (voortzetting van) het huidige beleid meer stijgen dan volgens constante arrangementen.

…maar betekenen wel lagere volumegroei in de zorg
Navraag bij het CPB leert dat het uitgangspunt van constante arrangementen betekent dat de nominale zorguitgaven in de periode 2016-2060 jaarlijks met 4,1% stijgen. Afhankelijk van de inflatie in het algemeen en de prijsontwikkeling in de zorg in het bijzonder, betekent deze veronderstelling dat de CPB-sommen ruimte bieden aan een jaarlijkse volumegroei in de zorg van naar onze schatting even boven de 1% tot (iets waarschijnlijker) ca. 2%. Dat is ongeveer 1 à 2%-punt lager dan de 3% jaarlijkse volumegroei in de periode 1973-2010 en bijna 2½ à 3½ %-punt lager dan de 4,4% volumegroei in de periode 2001-2010. Naarmate het beter lukt de prijzen in de zorg te beheersen, blijft er meer ruimte over voor volumegroei.

1% extra groei zorguitgaven kost 5,6% BBP (ca. € 42 miljard) in 2018
Ook het CPB zelf wijst er op dat de zorguitgaven in het verleden sneller zijn gestegen dan op basis van ‘constante arrangementen’ verondersteld mocht worden. Daarom is het interessant dat het rapport een gevoeligheidsanalyse bevat die laat zien wat de gevolgen zijn als de zorguitgaven tussen 2018 en 2060 1%-punt per jaar extra stijgen, bovenop de al veronderstelde 4,1% groei. Het houdbaarheidssaldo verslechtert dan met 5,6%-punt BBP. De ruimte van 0,4% BBP voor extra overheidsuitgaven of lastenverlichting in 2018 slaat dan dus om in een houdbaarheidstekort van 5,2% BBP (ca. € 39 miljard). Vroeg of laat en linksom of rechtsom zou dit gefinancierd moeten worden door bezuinigingen elders, hogere eigen betalingen, premies en lasten, of door een spaarfonds.

Aansluiting op eerdere scenario’s
De hierboven beschreven gevoeligheidsanalyse valt grofweg te interpreteren als een soort update een zorgscenario van het CPB uit 2013, waarin de ca. 3% volumegroei van de zorguitgaven in de periode 1980-2010 werd doorgetrokken naar de toekomst. Het rapport uit 2013 bevatte echter ook nog een ander scenario waarin de (hogere) groei van de periode 2000-2010 werd geëxtrapoleerd. In dat geval komen de zorguitgaven een stuk hoger uit. De 1%-punt extra stijging in de gevoeligheidsanalyse is dan ook zeker geen extreem cijfer.

Conclusie
De recente vergrijzingsstudie van het CPB concludeert, uiteraard met alle onzekerheden van dien, dat de overheidsfinanciën in 2018 weer houdbaar zijn. De lopende hervormingen in de gezondheidszorg zijn al bij deze berekeningen betrokken. Uit nadere bestudering blijkt dat het CPB uitgaat van een lagere groei van de zorguitgaven dan in de laatste decennia heeft plaatsgevonden en een fors lagere groei dan in de periode 2001-2010. Aangenomen dat de groei van de zorguitgaven na de crisis niet structureel laag blijft, zijn de overheidsfinanciën daarom waarschijnlijk nog verre van houdbaar en zal er gekeken moeten worden hoe de zorguitgaven verder beheerst kunnen worden en/of hoe stijgingen ervan het best gefinancierd kunnen worden.

Naarmate de prijzen in de zorg niet al te veel meer stijgen dan in de rest van de economie, is er binnen de veronderstelde budgetten meer ruimte voor volumegroei en verbetering van zorg. Dit laatste geldt ook als mensen langer gezond leven en daardoor op latere leeftijd een beroep hoeven te doen op de zorg.

Marcel de Ruiter
Onderzoeker kennispartner Van Oort & Van Oort Public Affairs en Communicatie

 

Terug naar analyses.

Comments are closed.