In september stuurt het kabinet zijn Toekomstvisie Wetenschap aan de Tweede Kamer. Hierop vooruitlopend hebben enkele vooraanstaande spelers in en om de wetenschap alvast een schot voor de boeg gegeven. De maand september is te meer belangrijk voor onderzoek en innovatie, omdat het kabinet uiterlijk op Prinsjesdag met plannen  komt voor de uitwerking van een Toekomstfonds.

Interdepartementaal Beleidsonderzoek
In mei 2014 hebben minister Bussemaker en staatssecretaris Dekker de Tweede Kamer laten weten dat de aankomende Toekomstvisie Wetenschap tevens een kabinetsreactie zal bevatten op het recente Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Wetenschappelijk Onderzoek. Een ambtelijke IBO-werkgroep oordeelde dit voorjaar positief over de prestaties van de Nederlandse wetenschap: het Nederlandse wetenschapsstelsel presteert  zeer goed in termen van kwaliteit en productiviteit. Wel ervaren universiteiten financiële krapte door een toenemende druk op de eerste geldstroom en is er behoefte aan meer stabiliteit en voorspelbaarheid in de financiering van de eerste geldstroom. Volgens het IBO is de verdeling van de tweede geldstroommiddelen door NWO versnipperd en zou deze beter verbonden kunnen worden met de Europese agenda, instellings- en sectorplannen.

Vier IBO-varianten
Het IBO-rapport schetst een viertal varianten voor veranderingen in de:

  1. Vormgeving van de  eerste geldstroom (stoppen met het verdelen van ca. 60% van het onderzoeksdeel van de eerste geldstroom via een vaste voet op basis van historische gronden)
  2. Vormgeving van de tweede geldstroom (verdeling meer richten op beleidsmatige prioriteiten, incl. middellange termijnfinanciering en verbinding met de instellings- en sectorplannen en met de Europese onderzoeksagenda)
  3. Governance (nationale wetenschapsagenda vaststellen die richting en structuur geeft aan het Nederlandse onderzoek binnen zowel de eerste als de tweede geldstroom en prioriteiten stelt)
  4. Versterking van de bijdrage van de wetenschap aan het onderwijs.

Boven het maaiveld
In de aanloop naar de Toekomstvisie hebben diverse  deskundigen en belanghebbenden al van zich doen horen. Zo pleit de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT) in het advies ‘Boven het maaiveld’ (april 2014) voor een duidelijke keuze voor wetenschappelijke pieken, waarbij aanvaard moet worden dat Nederlandse onderzoekers niet meer in alle internationale disciplines prominent actief zullen zijn. Volgens de AWT moeten kennisinstellingen zich scherper profileren op het onderzoek waarin ze uitblinken en dient de eerste geldstroom meer prestatieafhankelijk te worden. De OCW wil verder dat de minister en staatssecretaris van OCW het kiezen van wetenschappelijke zwaartepunten regisseren, en dat deze zwaartepunten aansluiten bij wetenschappelijke, economische (topsectoren) en maatschappelijke prioriteiten.

Investeringen
De Kenniscoalitie (bestaande uit VNO-NCW, NWO, KNAW, de Vereniging Hogescholen, MKB-Nederland, VSNU en TNO, mede namens TO2) waarschuwt dat de internationale concurrentie enorm is en dat het niet vanzelfsprekend is dat Nederland zijn uitstekende positie zal kunnen behouden; de huidige goede prestaties zijn gebaseerd op investeringen uit het verleden en deze investeringen schieten op dit moment tekort. Volgens de Kenniscoalitie vormt dit een groot risico, gezien de constatering van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) dat juist in onderzoek en innovatie het toekomstige verdienvermogen van ons land ligt.

Over de omvang van de investeringen in research & development (R&D) heeft het CBS deze zomer nieuwe cijfers gepubliceerd. In 2012 bedroegen de Nederlandse R&D-uitgaven € 12,6 miljard (2,10% BBP). Na de revisie van het BBP komt het percentage lager uit, namelijk op 1,97%. In 2012 had er dus € 3,4 miljard meer in R&D geïnvesteerd moeten worden om op 2,5% BBP uit te komen. Dit geeft een indicatie van het gat dat Nederland moet zien te overbruggen om de eigen ambitie waar te maken. Wel moet worden opgemerkt dat het effect van de statistische bijstelling van het BBP de betekenis van de R&D-intensiteit (gedefinieerd als percentage van het BBP) toch wat relativeert. Overigens blijkt zowel uit de cijfers van het CBS als uit het IBO-rapport dat het aandeel van de overheid in de R&D-investeringen in Nederland relatief groot is, terwijl in veel andere EU-landen het aandeel van het bedrijfsleven in de totale R&D-uitgaven groter is dan in Nederland. Er is dus meer nodig dan alleen het verhogen van de overheidsuitgaven.

Toekomstfonds
Intussen heeft de Tweede Kamer voor het zomerreces de motie-Pechtold c.s. aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om een samenhangende toekomststrategie te ontwikkelen op basis van het WRR-rapport ‘Naar een lerende economie’ (2013). Naar aanleiding van de motie moet de regering uiterlijk op Prinsjesdag 2014 een voorstel doen voor een Toekomstfonds “gericht op duurzame economische groei, mede gevoed door een deel van de gasbaten, dat zonder aantasting van de hoofdsom afkomstig uit gasbaten wordt ingezet voor de financiering van innovatieve mkb-ondernemingen en waarvan het rendement bestemd wordt voor (fundamenteel) onderzoek”.

Het Toekomstfonds wordt dus een nieuwe financieringsbron voor R&D, maar omdat de hoofdsom niet mag worden aangetast is de budgettaire betekenis als financieringsbron vooralsnog beperkt vergeleken met het vroegere Fonds Economische Structuurversterking (FES). Een uitstekende analyse over de vorming van het Toekomstfonds  is te lezen via ScienceGuide.

“Het moet beter”
De Kenniscoalitie heeft eind juni een manifest met drie aanbevelingen aan minister Bussemaker, minister Kamp en staatssecretaris Dekker gestuurd:
1. Ontwikkel een brede nationale wetenschapsagenda, gericht op wetenschappelijke sterktes, naast maatschappelijke en economische uitdagingen. De Kenniscoalitie vindt het voor de hand liggend dat de agenda aansluit bij de indeling van Horizon 2020: ‘science for science’, ‘science for industry’ en ‘science for society’. Ook de drie technische universiteiten hebben laten weten voorstander te zijn van een dergelijke driedeling.
2. Bouw voort op de brede hoogvlakte die het Nederlandse onderzoeksysteem kenmerkt, maar inzet op verdere zwaartepuntvorming en profilering is daarbij van belang. Volgens de Kenniscoalitie gaat gaat het om het realiseren van pieken op de hoogvlakte zonder de onderwijsfunctie van universiteiten en hogescholen en de absorptiecapaciteit van ons land te verzwakken.
3. Investeer. De Kenniscoalitie vindt dat Nederland te weinig in onderzoek en innovatie investeert en dat het beter moet, “als dit al niet tijdens deze regeerakkoordperiode kan, dan toch daarna, zodra het economisch herstel die ruimte biedt”.

Wat gaat het worden?
Gezien de aanbevelingen die zijn gedaan, zou het logisch zijn als het kabinet een plan presenteert om een nationale wetenschapsagenda vast te stellen die ook aansluit op het Europese onderzoeksbeleid. In hoeverre hierin scherpe keuzes gemaakt zullen worden, valt nog te bezien. Om te beginnen zit er op dit punt licht tussen de aanbeveling van de AWT en die van de Kenniscoalitie. Ook bij de eerdere keuzes voor de topsectoren vallen kanttekeningen te plaatsen. Wijzigingsvoorstellen voor de verdeling van de gelden binnen de eerste en tweede geldstroom worden vanzelfsprekend voer voor lobbyisten. De betekenis van het Toekomstfonds ten slotte zal (zolang de hoofdsom niet aangetast mag worden) afhangen van de voeding die dit fonds naast de (extra) gasbaten krijgt, en van de criteria om in aanmerking te komen voor financiering uit het fonds.

Marcel de Ruiter
Onderzoeker kennispartner Van Oort & Van Oort Public Affairs en Communicatie

 

Terug naar analyses.

Comments are closed.